Recent


Kanaliseren Ouwe Rijd naar Kaaifaart Wij pakken de draad weer op bij fase 4, ca. 1380 -1505 (afb. 1). In de annalen van 1505 is er geen sprake van werkzaamheden aan een kanaal door Ouwe-Syl. De meander in de Ouwe Rijd moet al eerder zijn gekanaliseerd tot de Kaaifaart dwars door het dorp. De oude naam van Ouwe-Syl, de Leije, doet hieraan herinneren. Dit betekent namelijk ‘de verlegging’. Het schutten moet zijn verplaatst, rond 1380, naar de sluis op de kruising van de Ouwe-Dyk en het kanaal. Dit als een schutsluis, een kolk met 2 stel puntdeuren. Deze meer moderne schutsluis was in 1373 voor het eerst in gebruik in Nederland (Vreeswijk). Ook daar was een brug nodig naast de schutsluis. De bebouwing op de Keuningsstreek is uitgebreid in zuidelijke richting, vanaf het verbindingskanaal daar. Mogelijk is de boerderij (nu nr. 20) daaronder gesticht in deze fase.De kolk bleef een haven en had en hield nog een tweede functie: spuikom. Want de kolk liet men tijdens vloed vollopen en bij eb werd de grote hoeveelheid water door de Kaaifaart gejaagd om daar de vaarroute op diepte te houden, richting nu Nije-Syl. Pas in 1655 was de Kaaifaart zover dichtgeslibd, dat de sluis op ‘e Syl haar schip-schuttende functie verloor. Daarna werden de deuren alleen nog bij hoogwater gesloten. In de jaren vijftig van de vorige eeuw werden ze verwijderd, schotbalken moesten nog bij extreme weersomstandigheden redding bieden. In 2006 zijn deze toch vervangen door een nieuw stel puntdeuren. Afb. 2, fase 5 1505-1580. Nieuwe verbinding Ouwedyksterfaart – Ouwe Rijd1505-1580 (afb. 2.) In 1505 kwam er een nieuwe sluis op dezelfde plek en de Ouwedyksterfaart-zuid/noord werd uitgegraven voor aanvulling van de dijk. Dit was bij de Skitelbuurt geen sinecure, want inmiddels waren er huizen gebouwd en de eerste bewoners van ‘e Syl hadden zich al genesteld aan de Skitelbuurt en Keuningsstreek, achter de zomerdijk en de hogere en brede Aerden Plaats. De vaart werd daar smaller en er moest hiervoor nog meer ruimte worden gemaakt. Dit wordt verklaard door de aanwezigheid van het zeer steile gedeelte. De compacte ver ingeklonken zomerdijk Monnickedijck werd daar steiler, tot 50 graden, afgegraven. (zie detail, linksboven afb. 2) Op de kaart van Jan Jansz. Coster (1571) staat de Kolk niet meer. Hij kan vóór 1571 zijn vervallen en vervangen door de kade van de Laaister- en Keuningsstreek, die de havenfunctie overnamen. In 1527 stond er al ’n Accijnsmeesterhuis (Koningshuis) aan de Keuningsstreek om daar de invoerrechten van o.a. wijn, bier en linnen lakens te ontvangen.Bronnen: Sytse Keizer 2022, 2023, Billând, hoofdstuk 11 en 12 en informatie Douwe Zwart, 2013, de Bildtse Post in artikel ‘451 jaar ouwe Bildtse stenen opdoken’.

Bedrijvigheid om ‘e Syl-Tichelwerk van ca. 1300 na Chr. Omstreeks 1100 na Chr. wilde men volgens een godsdienstig Reveil de regel van Benedictus van functionalisme meer in praktijk brengen. Kloosterordes zouden ook meer de natuur moeten ontginnen. Zo werden de eerste kerken en kloosters overal in Europa in de 12de eeuw in de buurt van kustwater en rivieren  neergezet. (bijvoorbeeld Zwin, IJzer en Middelzee). De Norbertijner monniken vestigden zich hier rondom de al verder opgebilde Middelzeein 1163 bij Hallum (klooster Mariëngaarde) en 1182 (later klooster Lidlum in 1254).In 1256 kwamen de monniken van de orde van Augustijner Koorheren in Anjum (kloosterMariënburg).De plek van de abdij Mariëngaarde bij Hallum is heel zorgvuldig gekozen (zie afbeelding 1).- Veilig achter twee (verhoogde) kwelderwallen (Alde Leie, Vijfhuisterdijk, 12de eeuw enFinkum-Hallumerhoek, 10de eeuw).- Dicht bij de belangrijke levensader, de rivier de Ouwe Rijdt (van 800 na Chr.)- De aanwezigheid van de verlaten oude motte (houten vesting, eind 10de eeuw) ten westenvan nu Vrouwbuurtstermolen. Toen nog een grote, hoge bult klei maar uitermate geschiktals grondstof voor de kloostermoppen, de bouwstenen voor de huizen, stinzen, kerken enabdijen.- Schelpen in grote hoeveelheid voorhanden op de Wadden, als grondstof voor de kalk.- De mogelijkheid voor het bouwen van steen- en kalkovens ten noorden van de motte, aanweerszijden van de Ouwe Rijdt.- De potentie van het bouwen van de strategische nederzetting de Leije, Nije-Syl, nu Ouwe-Syl, op de kruising Ouwe Rijdt/zomerdijk en Monnikendijk en gebruik maken van alaanwezige geulen.- Tenslotte groef men de nodige extra vaarwegen, verbindingen, zoals bijvoorbeeld de verbindingtussen de abdij Mariëngaarde en het Tichelwerk en kalkovens.ToponiemenIn dit geval zetten vooral de toponiemen (veldnamen) ons op het goede spoor in deze zoektochtnaar bedrijvigheid van de monniken in het verre verleden. Deze zijn in afbeelding 2aangegeven.In Fryslân is al vanaf de 12de eeuw steen gebakken. Vooral na de grondige reparatie van dezomerdijk, Monnickedijck in 1287, is ook bij de Syl een uitgebreide, grof keramische bedrijvigheidopgebloeid en eeuwen gebleven. |Er was dus klei en geschikte brandstof in de vorm van turf en ook voldoende waterwegenvoor het transport van grondstoffen en geproduceerde stenen, dakpannen, kalk en andereproducten.De haven en (schut)kolk van de Syl heeft hierbij ook een belangrijke rol gespeeld.Afbeelding 2, detail Tichelwerk, Roadpâd, ca. 1300 na Chr., nu W. P. Bierma. Met de toponiemenTichelwerk voor het hof, Perceel 19; Tichelwerk perceel 20 naast hof Tichelwerk,perceel 21 en Tichelwerk 1 en 2, perceel 31 en 32Bron: Toponiemen A.P. van Dijk, gebied 1180, Sytse Keizer 2022,2023, Billând, hoofdstuk12.De volgende keer over mijn ontdekking van de locatie van de kalkovens. Tekst: Sytse Keizer, regiohistorikus `t Bildt, Billând

KalkovensIn 2005 ontdekten Douwe Zwart en ik de ‘kalckovont’ op de bekende kaart fan Jan Jansz. Coster, 1571, zie afbeelding 1. Deze kaart laat de situatie zien na de Allerheiligenvloed van 1570. Met de applicatie Google Earth vond ik twee grote, ronde contouren op diezelfde plek ten zuidoosten van Ouwe-Syl. Dit moesten de zogenaamde Crop Marks zijn van twee grote kalkovens! Deze sporen worden bij grassoorten zichtbaar, zie afbeeldingen 2 en 3. De ondergrond bepaalt, wat er via het gewas van bovenaf te zien is. Gemiddelde diepte van de grond geeft gemiddelde groei van het gewas, diepere grond geeft hogere groei. Maar daarwaar slechte grond, begraven stenen van bijvoorbeeld fundamenten zijn, zal het gewas ook minder goed groeien en dat is van bovenaf te zien. In dit geval twee grote cirkels, elk met ’n diameter van 40 meter! Deze moesten wel de zo nog zichtbare locaties van de rokende kalkovens op de genoemde kaart van Jan Jansz. Coster zijn.SchelpenkalkDe abtenkronieken (Sibrandus Leo) van de Friese premonstratenzerkloosters Lidlum en Mariëngaarde boden ook uitkomst. Hierin is in te lezen, dat de 25ste abt Tako Aebinga (abt van 1485-1506) en de 26ste abt Paulus Boeckholt (1506-1533) in hun tijd als abt vooral ook druk bezig waren met het herstellen van de verwaarloosde gebouwen als de grote kerk, de toren en het dak van de abdij van Mariëngaarde. De abdij van Mariëngaarde was al in 1163 gesticht. Al ver vóór 1500 werden schelpen als grondstof gebruikt voor kalk. Deze schelpen werden tot 1000 graden verhit en het splitst zich dan in Calciumoxide (CaO) en koolzuurgas (CO2). De Calciumoxide valt uitelkaar tot poeder (ongebluste kalk).Na het blussen met water kan het als bindmiddel worden gebruikt in mortelspecie, samen met zand en eventueel aangevuld met gruis van baksteen.Al sinds de 12de eeuw werd eigen baksteen gebruiktvoor het maken, repareren en uitbreiden van kloostergebouwen.Ze werden gemetseld met deze specie. De grote gewelven en muren werden bepleisterd met stucwerk, ook met kalk gemaakt.De schelpen waren in grote hoeveelheden voorhanden in het waddengebied. Verder was er ook genoeg turf in de omgeving om de schelpen te branden. De schelpenvissers voeren via (later) Nije-Syl naar de kalkovens. Ze storttendaar hun lading (vooral kokkels) op grote hopen op de oostoever van de Ouwe Rijdt, tegenover het Tichelwerk (zie eerdere Bildtse Tijden).De ongebluste kalk werd met kleinere scheepjes naar de haven van de abdij vervoerd. Gelukkig heeft onze schoolmeester Jan Jansz. Coster toen die kalkovens ook maar even ingetekend. De kalkovens stonden er dus in 1571 in elk geval nog! De abdij is verwoest in 1578.Hiermee eindigt de serie 'De Bedrijvigheid om ‘e Syl. Bron: Sytse Keizer 2022,2023, Billând, hoofdstuk 12

Westhoek is een dorp en Oosthoek is een buurtschap in de provincie Fryslân, gemeente Waadhoeke, t/m 2017 gemeente 't Bildt. Zij hebben veel historische, geografische en maatschappelijke verwantschap en werken op veel gebieden samen. Ze worden dan ook beschouwd als een tweelingbuurtschap, ook door de inwoners, getuige o.a. het gezamenlijke, in 1960 opgerichte Streekbelang Oost- en Westhoek. Westhoek Westhoek ligt in het gebied van Wereld Erfgoed Unesco. It Fryske Gea beheert de kwelder achter de zeedijk. De kwelder heeft zichzelf gevormd met aanslibbing tussen de Lange Dam, Kleine Dam en Lange Dam tot aan de Boonweg. Ondertussen is het begroeid met zeekraal en zeeaster tussen riet. De vogelaar halen hier hun hart op met Blauw gorsen en Valken. Ook zijn hier zowel vossen, herten als zeevogels, smienten en rotganzen en aalschovers. Op de Deltahoge zeewering staat een monument dat herinnerd aan de poerdersramp. Ook staat er een dubbele bank met ijzeren overkapping in de vorm van een zuidwester. De dijkhuisjes staan in lintbebouwing van Armdyk/Dykshoek tot aan Oude-Bildtzijl. Begin en eind zijn gekenmerkt door mooie houten palen met koperen inskriptie: De Mooie Palen. De dijkhuisjes herinneren aan de vissers, die haring, zalm, ansjovis en bot vingen, om naast hun werk als arbeider bij de boer, nog iets wilde bijverdienen. Vanaf 1968 kwamen er veel Noord-Hollanders hier in hun goedkoop gekochte pandje vakantie te vieren. Er wonen hier veel kunstenaars: kunstschilders, schrijvers, glasblazers, pottenbakkers, met eigen atelier en soms winkeltje. Het enige nog overgebleven middenstandwinkeltje is specialist in witgoed. Bekend bij de bevolking als Hemrika, die ook molenaar was in de helaas gesloopte poldermolen. Vroeger waren er meerdere dijkdoorbraken. Daarom plaatste men een sluis in de dijk ter hoogte van de Holle Rij, een doodlopende arm van de Born, die uitmond in de Waddenzee. In 1991 kreeg het westelijke gedeelte van de dijk een dorpsstatus om de openbare basisschool te behouden, wat helaas na enkele jaren toch moest sluiten wegens te weinig leerlingen. In 2022 telt de bevolking 260 inwoners. Vanaf nummer 920 tot 440 in de Oosthoek valt de dijk onder St.-Jacobiparochie. De dijk heeft naar het zuiden toe invalswegen de Westerdyk, de Kadal en de Koudeweg. Naar het noorden, na de zeedijk, ligt in het midden scheef tegenover de Kadal de Boonweg.

Het ontstaan van het dorp Nij Altoenae. Toen in 1600 de Nieuwe Bildtdijk was aangelegd, ontstonden er ook paden richting het noorden. Eén daarvan was het “Wechy”, een modderpad, later een verhard pad en daarna een geasfalteerde weg. De eerste woning aan dit “Wechy” staat er nog steeds, op de hoek van ’t Kort Môrn en wel aan de noordkant daarvan. (Schuringaweg 31) Deze woning is gebouwd in 1879 en stond er eerder dan het Strandhuis, op het einde van het “Wechy”, en dat in 1899 is gebouwd. De mensen woonden langs de Oude- en Nieuwe Bildtdijk en waren direct of indirect betrokken bij de landbouw. Hier waren ook de winkels, bakkers en kroegen, maar voor onderwijs en kerkgang was men gericht op de dorpen. Voor het Wechy was dat St. Annaparochie. Door het grote aantal kinderen op de dijken kwam er behoefte aan een school. Begin 1900 werd er door “de Vereniging tot bevordering van christelijk nationaal onderwijs te St Annaparochie”, een perceel grond (groot 1 ha. en 7 are) aangekocht ten oosten van het “Wechy” en aan de noordkant van de Oude Bildtdijk. In 1903 wordt hier een 3-lokalige school en schoolhuis gebouwd. Dit gebeurt in overleg met “de vereniging christelijke belangen te Oude Bildtdijk”. Deze vereniging heeft een lokaliteit met kosterswoning op de hoek van de Oude Bildtdijk en het “Wechy”, waar catechisatie en bijbelstudie wordt gegeven door de gereformeerde kerk van St Annaparochie. (Oude Bildtdijk 378 en 380) In 1915 koopt dezelfde vereniging christelijke belangen een stuk grond ten noorden van het schoolhuis en verder noordwaarts kopen 2 particulieren 2 kavels t.b.v. woningbouw. (nu Schuringaweg 32 t/m 36) In 1918 krijgt men toestemming van de gereformeerde classis Hallum hier een kerk te institueren en wordt de eerste kerk gebouwd (Schuringaweg 30) die eigenlijk direct al te klein is. In 1919 komt er aan de zuidkant van de school een pastorie (Schuringaweg 20) en zijn er al plannen de kerk uit te breiden. Dit leidt uiteindelijk tot de bouw van de huidige kerk in 1928. Vanaf die tijd worden er meer woningen gebouwd langs het “Wechy”. Eerst aan beide zijden van de school en kerk en aan de noordkant van het huidige Kort Môrn. Ook een winkel en een bakkerij worden in die tijd gebouwd. (Schuringaweg 3 en 5) Na de tweede wereldoorlog wordt er achter de lagere school een kleuterschool gebouwd en de gehele westzijde van het “Wechy” wordt volgebouwd en dan is het eind jaren 60. Daarna gaat het dorp meer vorm krijgen door eerst de bouw van 5 bejaarden woningen achter de vroegere bakkerij aan de Schuringaweg 3 en met de aanleg van de Matthijs Smitstraat en de ds. Veenstraat krijgt het dorp meer vorm. Aan deze straten komen vooral huurwoningen maar in de jaren 70 ook enkele particuliere woningen. Begin jaren 80 komt ’t Kort Môrn erbij waar in 1984 de nieuwe school “de Noordster” wordt gebouwd en de oude school aan de Schuringaweg (Wechy) wordt afgebroken. De kleuterschool wordt dan gebruikt door Plaatselijk Belang als dorpshuis “de Nije Utwyk”. Het vorige dorpshuis was gevestigd in een dubbele arbeiderswoning aan de Oude Bildtdijk (nr 402) In 2000 werd het nieuwe dorpshuis geopend op het in 1984 aangelegde sport- en speelveld en in 2010 nog uitgebreid. Na 2000 is het nieuwbouwplan uitgebreid met ’t Putstik waar alleen koopwoningen zijn gebouwd. Ook kreeg Nij Altoenae in 2006 de dorpsstatus voor het gebied tussen de bebouwde kom-borden. Achter de school “de Noordster” is nu in 2022 nog plaats voor een aantal woningen en zal er moeten worden gekeken naar verdere uitbreiding van “de Kroan op ’t Bildt”.

Zestien strandhoofden redden ’t Bildt in 1570 Twee jaar na het uitbreken van de tachtigjarige oorlog in 1570 viel de Allerheiligenvloed ’t Bildt aan. Strandhoofden hadden nog veel nieuwe aanwas van grond weten te behouden. Kaart Jan Jansz Coster 1571Dit wordt duidelijk geïllustreerd door de kaart die Jan Jansz Coster na deze stormvloed  maakte.  Daarop vechten de Geuzen in bootjes langs de kust tegen de Spanjaarden en staan de 16 strandhoofden van West naar Oost afgebeeld. In 1638 is het 17e strandhoofd bij Nije-Syl aangelegd in zee. Zestien strandhoofden Al in 1542 was men begonnen met de aanleg van de strandhoofden. De techniek voor de aanleg  stamde uit  het Zeeuwse Yerseke,. Ook toen, meer dan 300 jaar na het definitief sluiten van het estuarium van de Middelsee in 1200 (Billând, 2022), werd er nog bij vloed slibrijk water aangevoerd aan de kust van ’t Bildt. De basis voor het aanslibben, opbillen van de kust hier, was dat het water zo lang mogelijk rustig is, zodat het slib kan bezinken en dat bij eb het water zonder hoge stroomsnelheden weer uit kan stromen, dus zonder het zojuist bezonken slib weer op te woelen. Het is dus van belang een gebied te maken met alleen in- en uitstromend water, en geen doorgaande getijstroom, en het gebied zoveel mogelijk te beschermen tegen inkomende golven die extra opwoeling geven. Dit kan door het bouwen van dwarsdammen langs de kust, die steeds werden verlengd richting zee. Zo is al in de 16e eeuw een primitieve aanzet gegeven met deze zestien strandhoofden. Stevige zandrug De samengestelde bodemkaart onderin afb.1 laat duidelijk de verdeling van de verschillende afzettingen zien tussen de paarsgekleurde strandhoofden. De gronden met de meeste klei (groen) liggen verder landinwaarts. De zwaardere  zandkorreltjes bezinken namelijk sneller.  Samen met andere metingen is de oorspronkelijke locatie, van de strandhoofden te reconstrueren. Door de strandhoofden kon er namelijk een meer stevige zandrug (rood/geel) ontstaan langs de uiterste rand hiervan. Die ligt daar nog steeds, vermengd met klei, waarop veel boerderijen zijn gevestigd. Dit vanwege de gunstige ligging op zo’n stevig fundament. In elk geval hebben de strandhoofden een belangrijke rol gespeeld voor de verdediging tegen de zee tijdens de Allerheiligenvloed en andere stormvloeden tot de Pôldyk daar werd aangelegd en verhoogd Bij zo’n stormvloed is het water hoger en treed afslag op van de zandrug. Zo beschermt hij zichzelf, want door het afslagproces wordt het voorland ondieper en neemt de golfaanval op de kust af. Twee andere functies strandhoofden  Aan de Westkant van Zwarte Haan hebben de langere strandhoofden meer gefungeerd als golfbreker, terwijl aan de Oostkant de hogere zandrug genoeg weerstand bood daar tegen het gevaar van afslag. De zandrug is hoofdwaarschijnlijk wel een goede basis geweest voor de latere aanleg van de (rijzen-) dammetjes zeewaarts, haaks op de kust. Alleen het meest westelijke strandhoofd, het Statenhoofd, ligt daar nog steeds voor de kust als een trouwe herinnering aan deze tijd. Met dank aan Prof. Henk Jan Verhagen, TU Delft,  en Leendert Ferwerda.

Mijn reis door deze geschiedenis begint bij de T-splitsing aan ’t eind van de Monnikenbildtdijk, Oosterdijk. In het Statenregister is de pre-kadastrale kaart van 1737 te raadplegen. Op de afbeelding 1 is deze kaart gecombineerd met de kadasterkaart van 2020. De groene lijn is de lijn die vanaf de hoek Oasterdijk naar de kade is getrokken, naar de directe omgeving (in de richting van de ouwe meander van de Ouwe Rij, die daar toen nog lag) van de verzakte kade (’t bruggetje over de Kaaifaart bij de Vrij Evangelische kerk tot de ingang van de Ds. M. Mooystraat.  En tijdens het trekken van die over ’t Nieuw-Monniken Bildt zag ik ineens één van die eerste zomerdijken voor mijn ogen opdoemen!  De eerste  zomerdijk is daar al vóór 1196 aangelegd. En deze dijk is in 1196 door een stormvloed zwaar beschadigd, ook in de genoemde strook langs de Kaaifaart.Het zand is daar diep weggespoeld. Later is dat gat weer dichtgeslibd met klei, wat een veel  slechtere fundering is voor zo’n nieuwe kade. Dit is ook te zien in de grondonderzoeken. De grond is van een dusdanige samenstelling, dat er door het trilblok, wat werd gebruikt werd om de langere damwanden te plaatsen, ’t verschijnsel ‘thixotropie’ optrad.Thixotropie (soms gespeld als tixotropie of thyxotropie) of pseudoplasticiteit is de eigenschap van een niet-Newtonse vloeistof, waarbij de viscositeit bij een constante schuifspanning door de tijd afneemt. Na het opheffen van de schuifspanning keert de beginviscositeit weer terug. De term thixotropie is afgeleid van de Griekse woorden "thixis", dat staat voor aanraking en "tropos", dat staat voor bewegen of mengen. De afname van viscositeit wordt veroorzaakt doordat de samenstellende deeltjes zich evenwijdig aan de opgelegde afschuifspanning gaan oriënteren. Het begrip is afkomstig van Herbert Freundlich, onderzoeker naar de grondbeginselen van de colloïdchemie.De uitgang gevormd door de Ouwe Rijd/kaaifaart naar de Middelzee hier, van Noord naar Zuid op ‘e Syl (Oudebildtzijl) is door de jaren heen een kwetsbare plek  gebleven. De doorbraken met de resterende wielen veroorzaakten omleggingen in de zomerdijken, die ook buiten het dorp zijn te zien.De haakse kavelsMaar hoe kon ik dan die zomerdijk zien? Ja, dan moet je de ‘haakse kavels’ in ’t landschap volgen en daar de dijk bij intekenen. Hierbij hou je rekening met de voor Billând relevante opeenvolgende grote stormvloeden van 1196, 1219 (St. Marcellusvloed), 1287 (St Luciavloed) De zomerdijken zijn ook aan de hand hiervan dus in tijd in te delen. Ook de bedrijvigheid in dit dorp Oudebildtzijl bepaalde in de loop van tijd de vorm van Ouwe-Syl. In 1505 is de Oudebildtdijk over de gehele lengte opgehoogd over de laatste zomerdijk. (Monikkendijk) Ook is op een aantal plekken grond uit (resten van) een zomerdijk gehaald, die daar in de buurt lag. De kavels werden direct al haaks (loodrecht) op de zomerdijken gezet. Hier en daar werden sloten langs de kavels gegraven voor de afwatering van de weilanden.Als er nu kavels evenwijdig lopen aan elkaar (als bijvoorbeeld op ‘t Oud Bildt tot ca. 1200, de eerste kavels van de monniken), dan staat de zomerdijk die erbij hoorde daar haaks op. De vier verschillende zomerdijken konden voor een groot gedeelte achter elkaar worden verspreid over de zeer brede kwelder rug, die zich hier ontwikkeld had na de storm van 838 Je ziet hier in afbeelding 2 deze zomerdijken op de kwelder rug, door en om Ouwe-Syl. (Oudebildtzijl)  Oudebildtzijl is dus ontstaan op het kruispunt van de Oude Rijd en ’n brede kwelderwal van na de storm van 838 . Afb. 2  Overzicht Oudebildtzijl en omgeving, De kwelderwal als basis met daarop de zomerdijken met dijkdoorbraken en wielen Overzicht zomerdijken en wielen Ouwe-Syl (afbeelding 3)  (0)   Vóór 1196     De eerste zomerdijk (ca 1,60+ NAP) tussen Mariëngaarde en Lidlum- Oosterbierum is aangelegd                                        door de hoofdelingen en monniken onder leiding van de vijfde abt Siardus, abt van 1194-1230.                                        Hij werd toen al Monnikendijk genoemd (archief abdij Tongerlo) Deze zomerdijk moesten                                        ze steeds weer repareren en verleggen, vooral na zware stormen.                                        De kavels vanuit ’t oude land (Oud Bildt) staan haaks (witte lijnen) op deze zomerdijk (groen)                                       ten Noorden van Ouwe-Syl.          1196                 Zware storm, ontstaan Wiel 1, De dijkdoorbraak (wiel) lag ter hoogte van nu de Vrij Evangelische kerk. (1)   1200-1219   De kavels vanuit het dan ook al ontgonnen nieuwe land (later Nieuw Bildt) staan haaks (gele Lijnen)                                        op de zomerdijk 1 om Zuid.  Draaipunt is de Pôle.         1219                  St. - Marcellusvloed Wiel 2, lag ten Zuiden van de Skitelbuurt.  (2)   1219-1287          1287                  St.- Luciavloed Wiel 3, achter de kroeg- nou ’t Graauwe Paard, later haven “de Kolk”. (3)   1287-1380   De Oudebildtdijk wordt om de kolk heen geleid en krijgt de vorm die hij nu nog heeft.                                        Eerst nog als zomerdijk, Monnikendijk later na 1505 als de Oudebildtdijk van nu.  (4)   1380-1505   Oude Rijd wordt gekanaliseerd met de Kaaifaart die mogelijk ook door de kloosterlingen                                       van Mariëngaarde is gegraven.  Nieuwe schutsluis van  rechthoekige vorm kruising                                       Kaaifaart/ Oudebildtdijk Doorsteek van Kaaifaart naar de Kolk, dichtgooien van ouwe meander. (5)  1505                 Ophogen van de zomerdijk Monnikendijk, wordt dan Oudebildtdijk (op 4,41 +    NAP)                                  De zomerdijk Monnikendijk heeft dus daar bij Oudebildtzijl tussen ca 1196 en 1287 langs vier verschillende tracés gelegen.Het dorp is al toen al vroeg gevormd door drie stormvloeden en de daarbij ontstane wielen.De knikken in de Oudebildtdijk hier ten Oosten van Oudebildtzijl ontstonden door de dijkdeurbraken, veroorzaakt door de zwaardere stormen via de Oude Rijd, ook de levensader door Oudebildtzijl.Na de doorbraak bleef een diep gat, de wiel achter, hier werd een nieuw stuk zomerdijk omheen gelegd. Afb. 3 Overzicht Oudebildtzijl met de zomerdijken, wielen en haaks kavels, geprojecteerd op de situatie nu. Google Maps. Sytse Keizer, Billând 2022     



Nomineer een onderwerp voor deze dorpscanon